Age of Empires II

Wakker worden en weten dat je niet alleen bent in je kamer. Merken dat je jezelf niet kan bewegen. Weten dat hij elk moment tevoorschijn kan springen en ondanks deze anticipatie of misschien juist door deze anticipatie je ziel door je kruin naar buiten voelen schieten van de schrik wanneer de aap verschijnt. Helemaal woest springt hij uit de kast. Beukend op zijn borstspieren is het alsof hij bezig is soortgenoten op te trommelen. De soortgenoten komen niet. Het zijn alleen jij, verlamd in je bed, en de krijsende aap die de kast op klimt, op het bureau springt, de Digimon-poster van de muur grist, de bureaustoel om slaat, de zitzak in de hoek openrijt en leegschudt terwijl zijn blik, wit van waanzin, AH-AH-AH-AH-AH, heen en weer schiet.

Meestal eindigde de droom wanneer de aap na herhaaldelijke pogingen de deur naar de gang open wist te maken en wegstormde. Nooit deed hij Jo geweld aan, maar de angst om door zijn gespierde armen gewurgd te worden was zeer aanwezig. Op een dag zal hij mij zien liggen en hij zal mij wurgen, deze gedachte voelde aan als een zekerheid. Pas als de aap weg was, lukte het om zijn ouders te roepen. Meestal kwam zijn moeder kijken om hem gerust te stellen. Het vreemde aan de droom was dat er zich nooit een duidelijk moment van ontwaken voordeed. Hoewel er na afloop geen sporen meer te vinden waren van de vernieling die de aap had aangericht, schrok Jo nooit wakker, opende hij nooit zijn ogen. Hij was al wakker. De aap was weg, zijn moeder aaide hem door zijn haar en de bureaustoel stond weer aan het bureau.

De droom deed zich vooral tussen zijn tiende en elfde verjaardag voor. Soms wel drie keer per week. Zijn moeder trof hem telkens lijkbleek aan. Omdat hij de dagen nadien als een zombie op school rondliep stuurden zijn ouders hem naar een kinderpsycholoog. Een guitige man van in de vijftig die altijd ludieke stropdassen droeg en Jo ontving met het enthousiasme van een landheer die nooit bezoek krijgt. Hij speelde associatiespelletjes met Jo rond het woord aap (AAP NOOT FRUIT MUG BLOED KONING NEVEL BRUG) en vroeg hem wat de kleur van woede is. Na vijf sessies concludeerde de psycholoog dat er niets mis was met Jo, hij had simpelweg de pech veel nachtmerries te beleven. Aan het einde van groep 7 hield de droom eindelijk op hem te achtervolgen. Het was waar dat in deze periode zijn gemoed ook in merkbaar betere toestand verkeerde, maar of dit oorzaak of gevolg was, liet zich raden.

Freya ontmoette hij aan het begin van de zomervakantie, terwijl hij rietsigaren aan het plukken was zonder hiermee een duidelijk doel voor ogen te hebben. Hij pulkte er wat aan, aaide ermee over de rug van zijn hand, gooide ze in de vijver. Zijn vader had hem naar buiten gestuurd, omdat zijn twee uren schermtijd al waren verstreken. Op de brug die zich over de vijver boog stond Freya. Ze was van zijn leeftijd, een paar maanden ouder, en riep dat hij van het riet moest blijven.

‘Die groeien niet zomaar terug.’

‘Dit zijn de zaadjes,’ zei Jo. ‘Ik help ze juist verspreiden.’

‘Door ze op het water te gooien?’

Hij haalde zijn schouders op.

‘Weet ik veel. Dan kunnen ze toch naar de andere kant drijven.’

Freya’s korte, schelle lach was niet zonder minachting.

‘Ik hoor het al, we hebben hier met een weldoener te maken.’

Jo zweeg en liet zijn hand door het riet gaan.

‘Ik zie je nooit bij deze vijver,’ ging ze verder. ‘Waar woon je?’

Na een korte aarzeling wees hij naar het pleintje.

‘Daar bij de huizen aan de achterkant.’

‘Ik woon daar.’ Ze wees naar de dichtstbijzijnde flat in de wijk. ‘Op de achtste verdieping.’

Het bleef even stil. Jo trok zijn shirt over zijn hoofd tot aan zijn haarlijn, zodat zijn gezicht nog te zien was.

‘Lijk ik zo op een dwerg?’

‘Je lijkt op de klokkenluider van de Notre-Dame.’

Hij sloot zijn ogen, zette een dikke grijns op met zoveel mogelijk ondertand en stak beide duimen op. Nu lachte Freya welwillend.
Jo had in principe een hekel aan meisjes. Hij was nog nooit verliefd geweest en vond het altijd maar irritant als de zusjes van zijn vrienden mee wilden spelen terwijl ze in de meeste gevallen niet de helft begrepen van de regels en gebruiken. Voor Freya maakte Jo een uitzondering. Ze bleek een Nintendo 64 te hebben en verder te zijn met Zelda: Ocarina of Time dan hij. Bovendien keek ze Digimon en vond ze dit net als hij nog beter dan Pokémon. Ze spraken veel af die zomer en zaten meestal met de gordijnen dicht te gamen om de zon van het scherm te weren. Freya mocht onbeperkt op de Nintendo, dus als ze bij Jo thuis de computerkamer uit werden gestuurd konden ze altijd bij haar verder gamen. Hij liet haar Age of Empires II zien. Zijn favoriete spel. Bij haar thuis speelden ze Mario Kart en Super Smash Brothers.

Op een dag tegen het einde van de zomervakantie demonstreerde Jo aan Freya hoe je met de Byzantijnen een defensieve strategie kan aannemen om tegenstanders af te houden en ze in het eindspel te overheersen aan de hand van een superieure economie. Hij merkte dat Freya zich de laatste paar dagen anders gedroeg. Ze was stiller dan gewoonlijk en had altijd haar rugzak bij zich alsof ze er rekening mee hield dat school elk moment weer kon beginnen. Op de vraag of zij een keer met de Byzantijnen wilde spelen antwoordde ze dat ze liever keek. Midden in een spel stond ze op.

‘Ik moet je iets laten zien’.

Ze vertelde dat ze af en toe in het voormalige PTT-gebouw binnenging, een groot glazen kantoorgebouw aan de rand van de wijk dat nu al drie jaar leegstond. Jo wist dat oudere kinderen in de wijk daar soms kwamen, hij had er zelf nooit voet gezet.

‘Er is een nooddeur aan de achterkant die altijd open staat.’

Jo klikte nog een paar militaire upgrades aan en drukte vervolgens op pauze. ‘Wat is daar dan?’ vroeg hij.

‘Ik zal je laten zien.’

Er ging een ernst van haar uit die Jo bang maakte. Toch sloot hij de computer af en volgde hij Freya. De zon scheen bleek door een wolkensluier heen, het was drukkend warm. Als Jo zijn ogen sloot zag hij villagers als mieren rondlopen, houthakkend, goud mijnend, graan oogstend. Wat waren de Byzantijnen toch een coole beschaving. Ze kwamen eerst langs de gesloten schuifdeuren van de hoofdingang.  Binnen zag Jo een dweil leunen tegen een constructie die ooit de balie moest zijn geweest. In een donkere gang achter de balie lag een slaapzak.

‘Is het wel een goed idee om naar binnen te gaan?’ vroeg hij.

‘Ik ben hier al supervaak binnen geweest, geen zorgen.’

Ze liepen rond het gebouw en moesten zich door dichte bosjes wurmen om bij de achterkant uit te komen. Het lukte Jo niet om het gemak waarmee Freya zich door de braamstruiken bewoog te imiteren. Ze wachtte bij de nooduitgang en glimlachte meewarig naar hem terwijl hij zijn T-shirt uit de greep van de struik probeerde te bevrijden. Zodra hij zich aan de bosjes had ontworsteld wrong ze haar vingers in de kier tussen deur en deurpost en trok de deur open. Ze gebaarde dat hij moest komen. Hij glipte onder haar arm door. Zij stapte ook naar binnen en liet de deur dichtvallen. Meteen was het een stuk stiller, het gekwetter van de vogels buiten klonk gedempt. De muffe geur in combinatie met de kilte deed hem denken aan de grotten die hij vorig jaar met zijn ouders op vakantie in de Ardèche had bezocht. Freya liep gedecideerd naar de trappenhal. Op de verdieping waar ze moesten zijn was rumoer te horen. Thomas, hé, Thomas, pass de aansteker even.

‘Is dat …?’ vroeg Jo.

Freya knikte.

‘Dat is hun hoofdkwartier.’

Het ging om ASZ, de meest gevreesde jongensgroep in de wijk. Ze bliezen prullenbakken op en sloegen bushokjes in elkaar. Op verschillende plekken in de wijk was hun tag terug te vinden. ASZ stond simpelweg voor de naam van de wijk. Aalsloterzoom. Hou je kankerbek, hoorden ze iemand roepen. Gelach. Freya gebaarde dat ze stil moesten zijn en sloeg links af de gang in, weg van het rumoer. Ze namen een trap die uitkwam op een dakterras dat uitzicht bood op het park aan de rand van de wijk, ook de vijver waar hij en Freya elkaar ontmoet hadden was te zien. Aan de andere kant van het dakterras was een deur die naar een nieuw gedeelte van het gebouw leidde. Hierachter bevond zich de voormalige kantine. In de keuken stond alleen nog een koffiezetapparaat. Tussen het apparaat en het plafond liepen tientallen draden, over het apparaat zelf kroop een aantal dikke rupsen. De schimmelige grotgeur was hier minder aanwezig, het rook eerder stalachtig. Freya tikte Jo op de schouder om aan te geven dat ze verder moesten. Ze liepen de hal door tot aan een deur met een klein wit bordje waar 24c op geschreven stond.

‘Je moet me beloven dat je niet zal schrikken,’ zei Freya. ‘Of je mag wel schrikken, maar weet dat ‘ie niemand kwaad doet. Hij is heel lief en hij is heel erg ziek geweest. Hij is nog steeds heel erg ziek.’

Ze maakte de deur open. Meteen waaide de mestgeur Jo onontkoombaar in het gezicht. De kamer was volledig duister. Er klonk een zwaar en hees ademen. Freya haalde de vuilniszakken die met roze hartjesplakband vastzaten aan het raam naar beneden.

‘Hij verdraagt niet te veel licht.’ In de hoek van de kamer lag -AH, AH, AH, AH, opengereten zitzak- een chimpansee uitgeteld op een matras. De ogen glazig dwalend over het plafond, hij leek zich niet bewust van zijn bezoek. Jo’s hart bonkte in zijn borstkas. De aap had dezelfde grote oren, hetzelfde rossige baardje als de aap uit zijn droom.

‘Ik kan niet…’ zei Jo. ‘Dit kan niet. Hoe?’

Freya reageerde kalm, alsof dit haar huiskamer was en de aap haar broer die ziek op de bank lag.

‘Ik vond hem hier twee weken geleden. Hij heeft koorts en eet moeilijk.’

Uit haar rugzakje haalde ze een voorverpakte zalmwrap.

‘Dit is eigenlijk het enige dat hij binnenhoudt. Dit en pruimen.’

Ze ging aan de rand van het matras zitten en legde haar hand op het voorhoofd van de aap.

‘Daar ben ik weer. Ik heb een vriend meegenomen. Hij heet Jo. Hij is heel goed in Age of Empires.’ Langzaam gleden de ogen van de chimpansee in de richting van de deurpost waar Jo nog altijd als aan de grond genageld stond. De blik van de aap was niet eens wantrouwig, eerder mild en verwelkomend. Hij leek geen weet meer te hebben van de talloze keren dat hij Jo’s kamer kort en klein sloeg.

Eigenlijk vond hij dat mensen over het algemeen de notie van spijt veel te ruimhartig opvatten. Hoewel zijn leven soms aanvoelde als een aaneenschakeling van ongemakkelijke voorvallen die enkel baan ruimden voor de gelegenheid om een nog dommere vergissing te begaan, was er zo goed als niets waar hij terugkijkend op zijn achtendertigjarige leven daadwerkelijk iets aan wilde veranderen. Het enige dat terug bleef keren waren de holle ogen waar Freya hem mee aan had gekeken toen de ambulance van de dierenbescherming de straat uit reed. Het feit dat ze elkaar nog zo vaak tegen het lijf waren gelopen, ook later toen ze allebei op de middelbare school zaten, maar dat ze nooit meer met elkaar hadden gesproken. Deze beelden gingen altijd door merg en been als hij ze opriep, en de beelden opnieuw oproepen was met de jaren een masochistisch ritueel geworden dat niet meer van zijn leven los te denken was. Een gemiddelde ethische commissie zou waarschijnlijk geen seconde nodig hebben gehad om de beslissing te maken die hij maakte, maar een gemiddelde ethische commissie had geen relatie tot Freya. Bovendien waren er weinig nobele intenties in het spel geweest, het was eerder een vage mengeling van angst en jaloezie die hem zijn belofte aan Freya om over de chimpansee met geen woord te reppen had doen verbreken. Was hij naar Athene gekomen om het bijna dertig jaar na dato recht te zetten? Om zijn excuses aan te bieden? Hij wist het niet. Het enige dat hij met zekerheid kon stellen was dat het hier ontzettend heet was. De stad leek één groot delirium, overal waar je keek zag je de lucht trillen van de hitte. Wapperende gebouwen, golvende citroenbomen. In het midden van het plein waar hij uit de bus stapte, stond een moderne fontein met een grote waterpluim in het midden en daaromheen zes kleinere. Een dikke man in een zwembroek bestuurde een radiografisch bootje dat tussen de pluimen door slalomde. Kan dat ding dan tegen water, dacht Jo en het denken ervan maakte hem misselijk. Het waren het soort onzinnige gedachtes die spontaan opkomen en die zich bij mildere temperaturen beter laten verdragen. Hij zag voor zich hoe het sproeiwater van de fontein dat op het dek spatte via een kier een weg vond naar de motor aan de binnenkant van de plastic behuizing. Kortsluiting, kokhalzen. In een poging zijn geest en lichaam weer te liëren, haalde hij zijn telefoon tevoorschijn om het adres dat Freya hem had gestuurd in Google Maps in te geven. Het was zeven minuten wandelen. Hij draaide een paar keer rond als de wijzer van een kompas om de grip te krijgen op de richting en begon de blauwe lijn te volgen. Het bleek negen minuten wandelen. Hij twijfelde even voor hij aanbelde bij het statige appartementencomplex. Wat viel er eigenlijk te bespreken? Misschien had hij het verkeerde moment uitgezocht. Zou ze het hem überhaupt nog nadragen? Hij belde aan. Er klonk een mannenstem door de intercom die hem in het Grieks begroette.

‘It’s me. Jo. The old friend of Freya.’

‘Oh, hey Jo. Come up. It’s the fifth floor.’

De buzzer klonk en Jo duwde de rechter deur van de tweedelige, houten poort open. De inkomsthal was groot en koel. Op de oude art deco lift met geruit hekwerk ervoor hing een plakaatje met een waarschuwingsteken en een aantal Griekse woorden die vermoedelijk aangaven dat de lift buiten gebruik was. Hij beklom de trappen en hield op elke verdieping even halt omdat hij stevig aan het zweten was. Op de vijfde verdieping stond een van de deuren open. Er was niemand in de gang te zien. Hij klopte op de deur.

‘Hallo?’

‘Jo!’

Freya sprong tevoorschijn. Het was de eerste keer in twintig jaar dat ze elkaar weer zagen, toch wist hij dankzij haar enthousiaste social media aanwezigheid (ze leek haar bestaan als journalist moeiteloos te combineren met feestjes, concerten, vakanties, karaoke-sessies) precies hoe ze eruitzag. Jong, pienter, even jongensachtig als zwierig. Ze had een lange turquoise jurk aan en droeg haar haar in een kort staartje. Jo stak zijn hand uit, maar Freya omhelsde hem. Het was een wat houterige omhelzing waarbij Jo de hand die hij had uitgestoken gebruikte om kleine klopjes te geven op Freya’s schouder.

‘Je bent helemaal bezweet,’ zei ze lachend.

‘Vind je het gek. Met deze temperaturen en een lift die kapot is.’

‘Is de lift kapot? Vanochtend deed-ie het nog.’

Freya richtte zich in het Grieks tot haar vriend, die vanuit een andere kamer tevoorschijn kwam. Een lange, slungelige man met bril die eruitzag alsof hij elke ochtend het bed uitveerde met het oprechte voornemen de dag te plukken. Een academicus schatte Jo, internationale betrekkingen of criminologie.

‘Hi I’m Takis.’

‘I’m Jo. Nice to meet you.’

‘You are sweating all over.’

‘Freya told me that as well. Apparently I am.’

‘It’s dripping on your shoes. Do you want a towel?’

‘No, I’m fine, thank you.’

Ze namen plaats in de woonkamer die, zoals hij ook al op haar instagram had gezien, was ingericht met vintage design meubelen. Karaktervol als ook behoedzaam van pocherigheid ontdaan. Takis zette koffie voor hen en was zo attent om aan Jo te vragen of hij ijs in zijn koffie wenste. Een aanbod waar Jo met veel graagte op in ging. Tijdens de koffiekrans sneden ze vooral de obligatoire onderwerpen aan. Hoe Jo’s reis was geweest. Wat Freya naar Athene had gebracht. Hoe het leven hier beviel. En Takis bleek biomedicus te zijn. Takis wilde op zijn beurt graag weten hoe Jo’s leven eruit zag. Hij antwoordde naar waarheid dat hij na een lange burn-out nu AirBnB’s schoonmaakte en daar gelukkiger van werd dan van het najagen van een carrière als programmaker bij poppodia, hetgeen hij voornamelijk gedaan had sinds zijn afstuderen. Na de verplichte uitwisselingen viel het een tijdlang stil en werd het pijjnlijk duidelijk dat het eigenlijk heel raar was dat Jo uit het niets aan Freya had voorgesteld om haar op te komen zoeken. Misschien dat ze een vermoeden had van wat Jo met haar wilde bespreken, maar in hun korte mailverkeer was het niet ter sprake gekomen. Hij staarde naar de ventilator die traag ‘nee’ stond te schudden op de eikenhouten tafel. Takis liep naar de platenbak, zogezegd om een plaat uit te zoeken; hij bleef vooral lang bladeren. Freya en Jo keken elkaar een paar keer aan om na een korte glimlach meteen weer de blik af te wenden. De koffie met ijs bracht niet de gewenste verkoeling. Het zweet kwam opnieuw opzetten. Jo stond op en gaf aan dat hij naar het toilet moest. Takis stopte met bladeren en toonde Jo met veel gastvrije gebaren de deur in de gang die naar de badkamer leidde. Hij deed de deur op slot. Boven de oude marmeren wasbak plensde hij water in zijn gezicht. Hij keek in de spiegel naar zijn druipend, roodaangelopen gelaat. Wie was hij? Was hij werkelijk dezelfde persoon die al die jaren terug aan een rietsigaar stond te frunniken? Die Byzantijnse villagers dirigeerde terwijl Freya naast hem zat in haar witte hemdje met zwarte polka dots. Was de vrouw die in de woonkamer op de bruinleren bank zat dezelfde Freya die hem door het PTT-gebouw had geloodst? Er hadden uitwerpselen in de hoek van de kamer gelegen. Zwavel en ammoniak, instinctief had hij geweten dat het de geur van de dood betrof. Het was een vergissing geweest om hier te komen, dat voelde hij nu heel duidelijk. Hij zou zijn koffie opdrinken en beleefd aangeven dat hij weer moest vertrekken. Hij had hen niet verteld dat hij enkel voor deze ontmoeting naar Athene was gevlogen, dus hij kon iets verzinnen over een concert of festival waar hij naartoe moest. Het zou ongemakkelijk zijn, maar ze hoefden elkaar hierna nooit meer te zien. Ja, het was voor hen allebei beter als hij zou vertrekken. Terwijl hij de plooien van zijn overhemd gladstreek hoorde hij een luidde bonk van op de hal. Een deur die dichtsloeg? Dan het geluid van brekend keramiek. Niet één bord, maar een hele servieskast. Glasgeklingel. AH-AH-AH-AH-AH. Het weerzinwekkende gekrijs. Het kwam dichterbij. Er werd aan de deur van de badkamer geropt. AH-AH-AH-AH-AH. Het haakje van het slot rinkelde in zijn oog. Dit was de dag. In de verte hoorde hij de stem van Takis. ‘Are you okay Jo?’ Yes. I’m fine, I’m fine. De deur schudde wild, het was duidelijk dat het slot het elk moment kon begeven. Hij was Freya lang geleden al verloren. Ze stond op een brug en ze riep naar hem.